
Vandaag zijn wij voor de laatste keer in een internetcafe om jullie verslag te doen van onze reis, want morgen gaan we naar huis! De afgelopen weken hebben we door Indonesie gereisd, wat zelfs na vier maanden Azie erg overrompelend was. In het grootste moslimland van de wereld hebben we de prachtigste natuur en de mooiste stranden gezien, maar ook de engste autoritten en het vieste eten meegemaakt.
We begonnen onze reis op Sumatra, waar we in de eerste uren na onze aankomst al meteen drie bijna-dood ervaringen hadden. De chauffeur van de minibus die ons van de haven naar de stad Bukittinggi reed, zat er in het begin nog wel fris bij maar na zes uur rijden begon hij een beetje te knikkebollen. Om niet in slaap te vallen draaide hij agressieve housemuziek en trapte hij flink op het gaspedaal. De adrenaline van het racen en bumperkleven op een smalle weg vol kuilen hield hem gelukkig in ieder geval wel wakker.
De afgelopen decennia trok Sumatra veel toeristen, maar om verschillende redenen is hier sinds een paar jaar verandering in gekomen. Dit was ook goed te zien in Bukittinggi, een leuk stadje in de bergen vol lege hotels en lege Westerse cafe's. De Engels docenten van de plaatselijke middelbare school leken er ook geen rekening mee te hebben gehouden dat het aantal toeristen de laatste tijd zo gedaald is. Zij geven hun leerlingen namelijk allemaal de opdracht om native speakers (of willekeurige westerlingen) te interviewen en dit op te nemen met een bandrecordertje. Zo kwam het dat wij niet eens een sateetje konden eten zonder te worden belaagd door hordes Indonesische tieners. Wij zijn de kwaaisten niet, dus hebben we dagelijks zo'n tien interviews gegeven, waarbij we interessante vragen als ‘what do you think about love?', ‘what do you think about culture?' en ‘what do you do with garbage in your country?' mochten beantwoorden. (Wat die laatste vraag betreft: in Indonesie hebben ze een goede oplossing voor afval: ze verbranden het op grote hopen langs de kant van de weg. Hier komen zoveel dampen vanaf dat dit soms tot in Maleisie overlast veroorzaakt.)
Hoe leuk we deze interviews ook vonden, het allerleukste dat we in Bukittinggi hebben gedaan, is de vulkaan Merapi beklimmen. Deze vulkaan is bijna drie kilometer hoog en nog steeds actief, wat goed te ruiken is wanneer je de top bereikt. De tocht naar de top was echt prachtig; 's ochtends vroeg begonnen we in de mistige jungle en na ongeveer vier uur bergopwaarts lopen hield de begroeiing ineens op en hadden we een geweldig uitzicht. Hier werd de klim ook wat spannender, want het was behoorlijk steil en er lagen allemaal losse stenen. Gelukkig gaf onze gids goed advies: ‘be careful, a lot of people die here' waren zijn geruststellende woorden, terwijl hij het snelst van iedereen op zijn teenslippers naar de top klom. Wij bereikten gelukkig heelhuids de rand van de krater.
Na een kleine week in Bukittinggi gingen we naar Lake Maninjau, een meer in de krater van een vulkaan. De enige manier om hier te komen is met de lokale bus en nu hebben wij wel vaker lokale bussen genomen, maar deze was echt onvergelijkbaar. Op geen airco en kapotte stoelen waren we uiteraard voorbereid, maar dit busje was zo klein en vol dat zelfs Laura haar benen niet kwijt kon en haar hoofd aan het plafond stootte wanneer ze rechtop zat. Ondanks de drukte wisten een aantal kroepoekverkopers en een straatmuzikant zich er nog bij te persen, en toen een paar mensen lekker een sigaretje opstaken was het helemaal af. Het was echt geweldig om te zien hoe ze openbaar vervoer in Indonesie regelen en ondanks dit alles en de 44 haarspeldbochten onderweg, hebben wij onze maaginhouden kunnen behouden (dit gold helaas niet voor iedereen in de bus).
Lake Maninjau was adembenemend mooi, zoals hopelijk te zien is op onze foto's (klik hier). Ook hier waren wij zowat de enige toeristen, en dat maakt het uitzicht op zo'n prachtig stil meer tenmidden van bergruggen en rijstterrassen nog mooier. Op weg naar een waterval kwamen we Juney tegen, een Indonesische man die een beetje Nederlands sprak en een paar maanden in Amsterdam had gewoond. Daar had hij het heel leuk gehad, vertelde hij, maar veel liever woonde hij hier in het kleine pittoreske dorpje langs het water, en verdiende hij zijn geld met landbouw en het rondleiden van een enkele toerist. Ondanks onze voornemens om die dag weer verder te reizen, wist hij ons over te halen nog een dag langer te blijven en een uur later zaten wij achterop zijn brommertje (en die van zijn collega) waarmee hij rondscheurde tussen de prachtigste heuvels en rijstvelden en de meest lieflijke dorpjes met mooie oude Nederlandse en Indonesische huizen. Hij liet ons de grootste bloem ter wereld zien, die drie dagen per jaar bloeit, enorm stinkt en dan weer wegrot, en daarna een mooie zonsondergang boven het meer. In het donker zijn we vervolgens zo'n 500 meter afgedaald door de dichte jungle naar een houten hutje, waar we de nacht hebben doorgebracht tussen de apen en wilde zwijnen.
Recht uit de jungle reden we de volgende dag naar het vliegveld; drie uur later waren we in Jakarta, op Java, nog steeds riekend naar nachtelijke jungletreks. Het enige vieze kamertje dat we toen nog konden vinden in de backpackersbuurt deelden we met heel veel muggen, dus de volgende dag besloten we dat we onszelf best eens konden verwennen en zijn we naar een chic hotel met zwembad verhuisd. Dat is ook de enige reden dat ons bezoek aan Jakarta niet heel erg was; voor de rest is het een verschrikkelijke stad. De smog is bijna tastbaar, het is moeilijk ergens te komen, en als je ergens aankomt is het er niks aan. Omdat Jakarta, voorheen Batavia, lang de belangrijkste stad was voor de koloniale Nederlanders, verwachtten wij nog iets te kunnen proeven van de VOC-mentaliteit die er heeft geheerst. Wat er echter nog over was van het oude Batavia, was een vervallen wijk met een stinkend kanaal, en veel oude pakhuizen werden nu gebruikt voor afvalopslag en -verbranding. Maar we hebben wel heerlijk gezwommen!
Ook de volgende stop, Bogor, was niet veel soeps. Behalve een aardige botanische tuin met veel bijzondere bomen (gaap) was het net een klein Jakarta. Maar we hebben het wel gezellig gemaakt met andere Nederlanders die we ontmoetten tijdens de eerste WK-wedstrijd die Nederland speelde. Na Bogor hebben we per trein in een keer half Java overgestoken naar Yogyakarta, het volgende toeristische hoogtepunt. Deze stad, de 'culturele en intellectuele hoofdstad van Java', is de plek waar je de bekende poppenspellen nog tegenkomt (zie onze photobucket), en waar men de beroemde batikkunst praktiseert. Batik is een manier van stoffen verven en kom je meestal tegen in de vorm van te druk beprinte bruinige overhemden met korte mouwen voor mannen, maar er worden ook hele mooie schilderijen gemaakt op deze manier. Het is dan ook in Yogyakarta dat Jasper zichzelf tot de culturele elite begon te rekenen, na aanschaf van zijn eerste echte kunstwerk.
Niet ver van Yogyakarta ligt de Borobudur, een oude boeddhistische tempel die veel gelijkenissen heeft met de Ankor Wat-tempels in Cambodja. Omdat wij op tempelgebied wel een en ander gewend waren, waren wij niet heel erg onder de indruk (hoewel deze Borobudur zeker niet had misstaan tussen de Angkor-tempels!). De vele schoolkinderen die op dat moment ook de tempel bezochten, waren wel erg onder de indruk van ons. Overal waar we liepen werden we gevraagd met een groep jongeren op de foto te gaan, of werden we gewoon gefotografeerd terwijl we langs liepen. Alsof we supersterren waren! Dit vreemde fenomeen kwamen we trouwens ook al tegen in de dierentuin in Bukittinggi (waar twee ouders een baby naast Jasper neerzetten en dit tafereel een paar minuten gingen filmen) en in het paleis van de sultan in Yogyakarta (waar er letterlijk een rij stond van jongeren die met ons op de foto wilden!).
Onze laatste bestemming op Java was de vulkaan Bromo, een relatief kleine vulkaan die erg populair is onder toeristen vanwege het prachtige uitzicht op het omliggende maan-achtige landschap. Om vier uur ‘s ochtends begon onze tocht door een dorre woestijn van zwart zand, terwijl we achter de bergen de zon zagen opkomen. Het was echt prachtig en ook heel raar om daar te lopen, door een buitenaards mooi landschap met geen enkele ander toerist in de buurt. Toen we de Bromo eenmaal bereikten was het al behoorlijk licht en hadden veel andere toeristen de weg naar de vulkaan met behulp van een jeep ook gevonden. Wij ontkwamen dus niet aan de nodige fotosessies, al balancerend op de rand van de krater.
Ondertussen dachten wij doorgewinterde reizigers te zijn die niet meer opkijken van bijvoorbeeld maniakaal rijgedrag en overvolle bussen. Dit was tot wij de bus uit de bergen terug naar de stad namen. Hoewel er in dit busje plaats was voor 12 mensen en er al 16 inzaten, bleef de chauffeur maar stoppen voor nieuwe passagiers. Deze namen, alsof het de gewoonste zaak van de wereld was, plaats op het dak of hielden zich gewoon vast aan een raam of deur terwijl ze buitenboord hingen, dit alles terwijl het oude busje met piepende remmen de steilste hellingen afracete.
Bijna 30 uur later kwamen wij na een schijnbare eeuwigheid in bussen en boten aan op het eiland Lombok. Jasper voelde zich hier natuurlijk meteen thuis, ook al lijkt het daar in geen opzicht op zijn Lombok. Toch zijn we, na een welverdiende overnachting in een bed, meteen doorgegaan naar het eiland Gili Trawangan. We hadden in Thailand en Maleisie al een paar prachige paradijselijke eilanden gezien, maar Gili T overtrof deze allemaal met gemak! Het eiland is zo klein dat je het in een paar uur helemaal rond kan lopen en er is dan ook geen gemotoriseerd verkeer: alles gaat te voet, per fiets of met paard en wagen. Alle bungalows en restaurants bevinden zich aan één kant van het eiland, waardoor je niet ver hoeft te zoeken om een verlaten wit strand met turquoise zee helemaal voor jezelf te vinden. Voor we het wisten was er al een week voorbij gevlogen en was het tijd om naar Bali te gaan, waar Jaspers vader en stiefmoeder voor tien dagen een heel erg mooi huis hadden gehuurd.
Het weekje op Gili T voelde al niet meer als backpacken, maar dit gevoel was helemaal voorbij toen we op Bali waren. Wat een luxe, vergeleken met de viereneenhalve maand ervoor! Er was zelfs een kok aanwezig, die elke dag drie heerlijke maaltijden op tafel zette. Om Jaspers verjaardag te vieren hebben Wim en Berlinda ons getrakteerd op twee dagen duiken. Na een korte uitleg en een lange worsteling om in het duikpak te komen, kwamen we onder water in een totaal andere wereld terecht met prachtig koraal en fluoriserende (bijtende!) vissen. Verder hebben we natuurlijk de voetbalwedstrijden bekeken, in een café met veel Nederlanders en nog meer en nog fanatiekere Indonesiers.
Nu zijn we weer terug in Bangkok, vanwaar we morgen terugvliegen naar Nederland. We hebben een geweldige reis gehad, maar na vijf maanden is het superfijn om weer naar huis te gaan! Tot snel!
Inmiddels zijn jullie ontdekkingsreizigers begonnen aan de laatste etappe van de grote reis in de Oriënt: Indonesië! Jazeker, aan al het moois moet ooit een eind komen en zo kent onze reis ook een laatste etappe. Gelukkig duurt die nog ruim een maand! Voordat we jullie vertellen hoe het hier is brengen we eerst verslag uit van Cambodja, waar we de afgelopen maand zijn geweest.
Een bezoek van een backpacker aan Cambodja staat eigenlijk altijd in het teken van twee dingen: de verschrikkelijke recente geschiedenis van het land en de prachtige tempels die er tussen 500 en 1200 na Christus zijn gebouwd. Die eerste is bekend van de filmklassieker "The Killing Fields" en de tweede van de -in iets mindere mate- klassieker " Tomb Raider". Wij hebben beide climaxen uitgesteld en zijn eerst gaan kijken hoe het strandleven is in dit sympathieke land. Daar hoort natuurlijk een rieten hutje op het strand bij - zie de fotos (klik hier)! Jammer alleen dat de stroom het slechts deed van 19.00 tot 23.00 dus werd het 's nachts zonder airco of ventilator een flinke oefening zweten voor ons in Sihanoukville.
In Kampot, een eind ten oosten van Sihanoukville, hebben wij per brommer een bezoek gebracht aan het Cambodjaanse platteland. Japperoo wordt intussen al een gevierd brommercoureur zullen jullie denken, en zonder losliggend grind is dat ook zeker waar! Maar toen we opeens een andere brommer moesten ontwijken bleek dit grind toch niet zo stabiel en zijn we dus even ‘afgestapt', zoals oom Bertel de snelheidsduivel het noemt. Maar maak je geen zorgen, Jasper heeft alleen zijn been een beetje gebrand aan de hete uitlaat. Staat best stoer! Aangekomen op het platteland werden wij door drie jochies van 13 die vloeiend Engels spraken meegenomen naar een verlaten grot, waar wij achter ze aan klommen langs hoge rotsen en door nauwe gaten, waar een gemiddelde Amerikaan zeker in was blijven steken. Later in Phnom Penh, de hoofdstad van Cambodja, zijn we even bij de kliniek langsgeweest om zeker te stellen dat we geen rabiës hebben opgelopen door vleermuispies in te ademen of vleermuispoep aan te raken - dat schijnt tenslotte te kunnen! Maar de arts verzekerde ons dat dat een fabeltje is.
En dan nu de ellende. Van 1975 tot 1979 heersten in Cambodja de Khmer Rouge, een communistisch regime onder leiding van Pol Pot. De verschrikkingen die zich in deze periode in Cambodja hebben afgespeeld, zijn te erg om je voor te kunnen stellen: ongeveer een kwart van de bevolking (2 miljoen mensen) is toen overleden. Een deel door ziekte of honger, maar een groot deel is slachtoffer geworden van een genocide tegen iedereen die niet in het perfecte plaatje paste van de zelfvoorzienende agrarische communistische heilstaat die de leiders voor ogen hadden. Hierbij kan je denken aan intellectuelen, dokters, docenten of gewoon mensen die een bril droegen. In Phnom Penh hebben wij de gevangenis bezocht waar duizenden mensen werden gemarteld omdat ze verdacht werden van antirevolutionaire activiteiten, en een eindje buiten de stad liggen de "Killing Fields", waar ongeveer 20.000 mensen zijn vermoord en daar nog steeds in massagraven liggen. Hier zijn is vergelijkbaar met een bezoek aan Auschwitz. Ongelooflijk dus ook dat er dan backpackers rondlopen in een hemdje met daarop de tekst: "don't take life too serious - it isn't permanent".
Vanuit Phnom Penh hebben wij de karaokebus genomen naar Siem Reap, de stad die fungeert als voorportaal voor de tempels van Angkor. Deze tempels waren ooit onderdeel van de hoofdstad van het machtige Khmer-rijk (dit heeft niets met Pol Pot te maken), en liggen verspreid over vele vierkante kilometers. Hier hebben wij ons van onze calvinistische kant laten zien door drie dagen om vier uur op te staan om op tijd bij een mooie tempel te zijn voor de zonsopkomst. Dat heeft meer voordelen: het is dan nog lekker koel en je hebt de tempel voor jezelf - de bussen vol Chinezen en Japanners arriveren pas rond 9 uur. De sfeer in deze prachtige tempels is moeilijk te beschrijven, wij verwijzen je naar onze photobucket voor een impressie onder het motto "een beeld zegt meer dan duizend woorden".
Tot de volgende keer! Hopelijk zullen jullie verstandig stemmen, zodat wij bij terugkomst een mooi kabinet hebben met een capabele, betrouwbare premier en geen studentikoze schreeuwlelijk of een narcistische Christen zonder leiderschapskwaliteiten!
Onze paspoorten bulken uit van de visa en zijn nat van alle stempels, want we zijn alweer in het zevende land van onze reis: Cambodja. We hebben wat bezorgde vragen gekregen over ons reistempo, maar we kunnen jullie gerustellen dat iedere plaats de tijd krijgt die het verdient. Vietnam, waar we net zijn geweest, verdiende een kleine maand.
Na een koud welkom bij de grens (zie onze vorige blog), hebben we ons in Hanoi eerst geinstalleerd in een typisch backpackershostel met westers eten en een movie en pool room. Meestal vermijden we deze plekken, maar in deze vieze, chaotische stad was het een oase. We waren duidelijk niet de enigen die er zo over dachten, want in dit hostel zijn we heel veel mensen tegengekomen die we al een paar landen (en weken) eerder hadden ontmoet. Na dit gezellige weerzien hebben we een driedaags toeristentripje naar Halong Bay gemaakt. Dit is een groot gebied in de zee met heel veel spitse eilanden, een soort rotsachtige bergen die de zee uitsteken. Het was echt prachtig daar en het was ook heel handig dat drie dagen lang alles voor ons geregeld was! Als vee werden we van attractie naar attractie gesleept, met tussendoor overvloedige Vietnamese maaltijden. De eerste nacht sliepen we bovendien in een prachtig houten schip, temidden van de eilanden (zie onze photobucket; klik hier). Op de tweede dag bezochten we Monkey Island. Hier hebben we een aap gezien die een Chinees in zijn gezicht sloeg. Een foto van de aap, maar helaas niet van de klap, is ook te vinden op photobucket! Het mooiste van de hele trip was echter dat we gingen kajakken. Terwijl de meeste toeristen als eendjes achter elkaar aan roeiden, kajakten wij -avontuurlijk en sportief, zoals jullie ons kennen- een heel stuk de andere kant op en werden beloond met een prachtig uitzicht en doodse stilte. Tussen de spitse bergen klonken onze echo's wel tien seconden.
Terug in Hanoi zijn we onder andere naar het Hanoi Hilton gegaan, oftwel Hoa Lo. Dit is geen hotel, maar een gevangenis waar eerst tegendraadse Vietnamezen tijdens de Franse overheersing werden vastgehouden, en later Amerikaanse krijgsgevangenen. Het schijnt hier echt verschrikkelijk te zijn geweest (een bekende illustratie hiervan is John McCain, die hier geprobeerd heeft zelfmoord te plegen en dankzij de martelingen zijn armen niet meer omhoog kan doen). Dat het verschrikkelijk was tijdens de Franse overheersing werd uitgebreid duidelijk gemaakt in het museum met behulp van foto's, uitgemergelde poppen, martelwerktuigen en zelfs spookhuismuziek. Maar over de omstandigheden voor de Amerikanen waren ze een stuk positiever. Ons werd verzekerd dat ‘de jongens' er een enorm goede tijd hebben gehad: "hoewel het natuurlijk vervelend is als je verwijderd bent van de mensen van wie je houdt, moet je hier nu eenmaal een tijdje blijven en proberen we er het beste van te maken". De fotocollectie van dit deel van het museum bestaat uit foto's van glimlachende Amerikaanse soldaten die Kerst vieren, basketballen, gezellig gitaar spelen en behandeld worden door artsen. Propaganda zie je veel in Vietnam, niet alleen in de musea die wij bezocht hebben, maar ook langs de kant van de weg. Daar staan allemaal rood-gele borden met daarop allerlei waarschuwingen en adviezen van de overheid aan het Vietnamese volk. Uncle Ho's gezicht is ook op bijna iedere straathoek te vinden, in tegenstelling tot straatverlichting.
Voor we naar Vietnam gingen, kenden we eigenlijk alleen Hanoi en Saigon, maar in de 1700 kilometer tussen deze steden was er gelukkig ook veel interessants te zien. De eerste stop na Hanoi was Hué, waar we na een nacht in een heerlijk comfortabele slaaptrein kwiek uitstapten. Als voormalig hoofdstad van het land herbergt deze stad een prachtig en groot paleizencomplex, jammer alleen dat de Amerikanen een groot deel hiervan hebben platgebombardeerd. Ook hebben we hier onze Japanse kant laten zien door ons weer te laten verleiden door een georganiseerde trip, dit keer naar de gedemilitariseerde zone (DMZ). Dit gebied vormde tussen 1954 en 1976 de grens tussen Noord- en Zuid-Vietnam en er is ook veel gevochten in de oorlog. Ook zijn hier tunnels waar de Vietcong zich jarenlang schuilhield. Het is ongelofelijk dat mensen zo lang in zulke smalle, kleine, benauwde tunnels hebben gewoond; voor een aantal mensen uit onze bus was er simpelweg doorheen lopen al bijna niet te doen. Een oudere, ietwat corpulente, Noorse man kwam echt doorweekt van het zweet en met een wond aan zijn hoofd een kwartier later dan de rest buiten, en een Chineze mevrouw probeerde het niet eens. Zij was trouwens echt geweldig, want ze deed heel chic en toen we een keer onderweg stopten en er allemaal arme kinderen naar de bus kwamen, dirigeerde zij de kinderen allemaal om haar heen, zodat haar man haar als een soort van moeder Theresa op de foto kon zetten. Uiteraard hebben wij dit tafereeltje ook op foto vastgelegd, welke te vinden is op photobucket!
Vergeleken met de rest van Azië is het eten in Vietnam niet altijd even lekker. Dit bleek al helemaal toen we een keer op de markt gingen eten, met als doel ons te verdiepen in de Vietnamese cuisine authentique. Na plaatsgenomen te hebben op de gebruikelijke plastic kinderstoeltjes bestelden we wat loempia's, maar ongevraagd kregen we allerlei verschillende dingen voorgeschoteld. Genietend van een exotische salade zag Laura ineens iets bewegen tussen de groene blaadjes, namelijk een worm! En niet zomaar een wormpje, maar een superdikke, lange, bruine, slijmerige worm. Enigszins misselijk rekenden wij het exorbitante bedrag van zes dollar af (dit is zelfs vrij duur voor eten in een restaurant). Om voedselvergiftiging te voorkomen sloegen we snel aan het zelfdokteren met een flesje wodka in het trappenhuis van het nabijgelegen winkelcentrum.
Onze foto's van Hoi An, onze volgende stop, geven een mooie samenvatting van wat wij in deze stad gedaan hebben: achtereenvolgend zie je hoe Jasper en Laura eten, gemeten worden door een kleermaker, kleding passen, eten, gemeten worden, eten, kleding passen, eten and so on and so forth. Deze pittoreske stad staat niet voor niets bekend om zijn kleermakers en er zijn er zelfs zó veel dat hun aansporingen om iets bij hen te kopen het ‘Hey! Madam! Water?', ‘Sir! Tuktuk?' en ‘Hey madam! Buy something!' van straatverkopers bijna overstemt. (‘s Nachts, als Jasper alleen over straat gaat wordt het - op een fluistertoon: ‘Sir! Lady boom boom? No? Marihuana? Extacy? No? Listen sir... you want coke?') Ons bezoek aan Hoi An was weinig cultureel verantwoord, want verder zijn we alleen nog een paar keer naar het strand geweest, waar geweldige golven waren. Onze avonden brachten we door bij Mr. Kim, die ons met zijn kookkunsten er van overtuigd heeft dat Vietnamees eten ook heerlijk kan zijn. Ook trok de ambiance ons iedere avond naar zijn restaurant aan de rivier, waar onze ietwat narcistisch vriend (er hangen zelfs schilderijen van hem in zijn tent!) steevast op het terras te vinden was omringd door vele blikjes ‘333' bier.
Na een kort verblijf in Nha Trang, het Renesse van Vietnam, zijn we naar Dalat gegaan, een plaats in de bergen. Hier hebben we een ‘easy rider tour' gedaan, wat inhoudt dat je bij een Vietnamees achter op de motor gaat zitten waarmee je de hele dag rondrijdt door het supermooie landschap en af en toe stopt om interessante dingen te bekijken. Zo hebben we een prachtige waterval gezien en gezien hoe zijde gemaakt wordt. Onze chauffeurs/gidsen waren twee aardige jongens van onze leeftijd met een charmant gebrek aan kennis van de Engelse taal. Eén van hen kon tijdens het rondrijden niet stoppen met kletsen en hield hele verhalen waar geen enkel woord van te verstaan was. Hij kon ons ook niet zo goed verstaan, wat tot leuke gesprekken leidde: ‘What is his name?' ‘Jasper' ‘Jadeffers?' ‘Well, Jasper. Jas-per' ‘Japperoo?' ‘Yes, Jas-per' ‘Japperoo!'
Ondertussen zijn wel al een tijdje in Cambodja, maar daarover de volgende keer meer!
Liefs van Japperoo en Laura
Omdat we al gereisd hebben met vliegtuigen, auto's, treinen, brommers, bussen, tuktuks, jeeps en fietsen, besloten we voor de verandering de boot naar Laos te nemen. Vanuit het voormalige heroine-bolwerk Huay Xai hebben we een longtail boat, die verbazingwekkend veel lijkt op een lange Nederlandse woonboot, naar Luang Prabang genomen. Deze reis duurt twee volle dagen en is dus veel langzamer dan de bus, maar op deze manier heb je een prachtig uitzicht - en natuurlijk alle tijd om ervan te genieten. Er werd ook goed ingespeeld op onze westerse consumptiedrang; rond lunchtijd voer de boot ineens naar de oever om een dozijn kinderen met manden vol ‘cheapy coke!' en ‘cheapy beer!' de hongerige backpackers te laten voeden. Het was mooi om te zien dat de westerse backpackers meteen bij vertrek allerlei ipods, boeken, speelkaarten en tassen vol eten tevoorschijn haalden, terwijl de ‘locals' twee dagen lang niets anders deden dan voor zich uit staren. Twee dagen! De paar Laotianen die we aan de oevers van de rivier hebben gezien, hielden zich graag bezig met goudzoeken en water drinken uit de bruin/grijze Mekong.
Aangekomen in Luang Prabang waanden wij ons een beetje in Europa. Laos is een voormalige Franse kolonie en dat is goed te zien in het oude centrum, die volledig op de Unesco Werelderfgoedlijst staat. We waren er precies op het juiste moment, want midden april wordt in deze regionen nieuwjaar gevierd, wat traditiegetrouw gebeurt door de stad te veranderen in één groot watergevecht. Wij waren met ons waterpistool (zie http://s750.photobucket.com/home/jasperenlaura/allalbums, map ‘Laos') eigenlijk geen partij voor de Laotianen die met emmers water langs de kant van de weg stonden. Verder zijn we ook heel sportief geweest in Luang Prabang. Ruim 30 kilometer buiten de stad is namelijk een prachtige waterval waar alle luie toeristen naartoe gaan in tuktuks, maar wij hebben het hele eind gefietst! En terug! Het was heel mooi om door allemaal kleine dorpjes te fietsen en enthousiast begroet te worden door langsfietsende schoolkinderen, die hun Engels oefenden door ‘Hello!', ‘What is your name!' en ‘Thank you!' (?) naar ons te roepen. De laatste 15 kilometers van de heenreis waren bijna volledig heuvelopwaarts, dus toen we aankwamen op onze bestemming zijn we meteen de paradijselijke waterval in gesprongen.
Laos is één van de 15 armste landen ter wereld, maar in de steden merk je dat eigenlijk niet. De straten en huizen zijn doorgaans beter onderhouden dan in Thailand en de prijzen liggen ook een stuk hoger. Tijdens onze mountainbiketocht en toen we de bus van Luang Prabang naar de hoofdstad Vientiane namen, reden we wel langs allemaal vrij primitieve rieten huisjes, maar zagen we ook veel grote villa's. Het duidelijkste teken van armoede is misschien wel het bijna volledig ontbreken van gezondheidszorg. Zelfs in de steden zie je nauwelijks oude mensen, met uitzondering van oude dikke Duitse mannen, meestal in het gezelschap van een jong Laotiaans meisje of jongen.
Vientiane heeft als hoofdstad van een communistische staat niet zo heel veel indruk op ons gemaakt. Het lijkt een beetje op Assen volgens Jasper. Hier en daar staat een communistisch ogend bouwwerk, maar dit wordt afgewisseld met kleine winkeltjes en huisjes. Verder hebben de Laotianen in navolging van hun voormalige koloniale bezetters een soort Champs Elysées aangelegd die gedeeltelijk langs braakliggend terrein loopt, en er staat ook een op de Arc de Triomphe geïnspireerd bouwwerk dat zij hebben gegoten uit cement dat door de VS (de kapitalistische vijand) gedoneerd was om een vliegveld mee aan te leggen. Daar moet de nationale trots aan ontleend worden! Maar hoewel niet indrukwekkend, is Vientiane wel een erg rustige en gemoedelijke stad, net als Luang Prabang. Voor deze hoek van de wereld is dat best bijzonder. Een enorm contrast met Hanoi bijvoorbeeld, waar we nu zijn.
Zelfs als je Bangkok gewend bent met al haar chaos, smog en grootstedelijke viezigheid, verbaas je je nog over Hanoi. Hier worden bijvoorbeeld echt alle verkeersregels genegeerd en heeft toeteren geen zin meer omdat iedereen altijd zijn claxon ingedrukt houdt. In Peking zijn er 10 miljoen fietsen (volgens Katie Melua) maar hier zijn 100 miljoen brommertjes (volgens ons). Een degelijke sandwich is onmogelijk te vinden, er zijn alleen zwartgeblakerde holen in de muur waar Vietnamezen op kinderkrukjes soep met glibberige witte ballen eten. Het was heel interessant en indrukwekkend om hier een paar dagen rond te lopen, maar morgen vertrekken we op een toeristentripje naar Halong Bay waar ze duizenden prachtige eilanden schijnen te hebben, en daarna vertrekken we met de trein naar het zuiden. Voor we weggaan brengen we natuurlijk nog wel even een groet aan Uncle Ho (Ho Chi Minh) in zijn mausoleum.
Om te testen of jullie onze blog goed lezen en al wat begrijpen van de werkwijze in communistische Aziatische landen, hebben wij de volgende quizvraag: Waarom doet de bus van Vientiane naar Hanoi (zo'n 800 km) er ruim 26 uur over?
a. De bus wordt getrokken door koeien
b. Zoals gewoonlijk wordt er karaoke opgezet in de bus. De chauffeur op dit traject is een echte karaoke-liefhebber en zet af en toe de bus aan de kant om enthousiast mee te jammeren.
c. Het is hier heel gevaarlijk vanwege alle bandieten en door de taalbarrière duren de overvallen best wel lang
d. De bus vertrekt om 19.00, waardoor deze rond 02.00 bij de Vietnamese grens aankomt. De grens is gesloten ‘s nachts, waardoor we moeten wachten tot deze om negen uur ‘s ochtends opengaat. Inderdaad, de bus staat gewoon zeven uur stil. Dit is geen uitzonderlijke situatie: de bus van Vientiane naar Hanoi vertrekt iedere dag om 19.00.
Het goede antwoord is d! Het kan trouwens nog veel erger: een paar Britten die in een andere bus bij de grens aan het wachten waren, zaten in een lokale bus, die zo overvol was dat zij de hele reis op de vloer van de bus moesten zitten.
Wij waren trouwens niet de enigen die niet zo uitgeslapen waren bij de Vietnamese grens. Twee maal probeerden verschillende douanebeambten het paspoort van een 1.90 meter lange Noorse jongen met lang haar aan Laura terug te geven (ze weigerden in eerste instantie zelfs om het paspoort aan hem te geven toen hij zei dat hij dat was op de foto). De pasfoto in Laura's paspoort vonden ze daarentegen sprekend lijken op onze andere Noorse vriend, die hoogblond is en de zijkanten van zijn hoofd kaalgeschoren heeft.
Op dit moment zien we eruit alsof we uren door de jungle hebben gelopen, want dat is ook zo. Jazeker, zelfs de steilste en meest onbegaanbare zwijnenpaadjes waren ons niet te gek! Hoewel we geen wilde beesten hebben gezien, weten we zeker dat het er stikte van de tijgers en de wurgslangen, en het was dus ook heel gevaarlijk. Jullie reizigers in het verre Oosten deinzen nergens voor terug! Het scheelt wel dat we hier 1500 meter hoog zitten (het heet hier dan ook de "Cameron Highlands"), dat maakt dat het hier wat frisser is dan beneden.
Toen we ons door het oerwoud hadden heengeworsteld kwamen we terecht op de plaats waar 5,5 miljoen kopjes thee per dag worden geproduceerd. Heuvels vol velden met theestruiken, kilometer na kilometer. Echt super indrukwekkend, en het zag er eigenlijk eerder Europees uit dan tropisch. Engeland is de voormalige kolonisator hier, dat kun je merken aan plaatsnamen en aan het feit dat er scones worden geserveerd bij het kopje thee. Op de terugweg hadden we gelukkig een taxi, en de chauffeur bekende ons dat hij 5 kopjes thee per dag dronk. "I like tea".
Dit alles speelt zich af in Maleisie, waar wij ons ondertussen dus al bevinden. Ons vorige bericht sloot zich af met twijfelachtige verwachtingen, maar tot nu toe bevalt het ons hier super goed. Maleisie is heel anders dan Thailand, het is één grote melting pot van allerlei culturen, voornamelijk Maleiers (Zuid-Aziatische mensen, die ook Indonesie bevolken, en Maleis spreken in beide landen - zijn vooral islamitisch), Chinezen (spreken Mandarijn en zijn vaak taoistisch) en Indiers (zijn meestal hindoeistisch en spreken: indiaas) (en kunnen lekker koken). De Maleiers zijn hier de baas, de meeste staten van de federatie zijn sultanaten. Maleisiers gaan er prat op dat zij zo een succesvolle samenleving zijn met al die verschillende mensen, maar volgens een ingewijde haten ze elkaar allemaal (had de barkeeper toch gelijk - maar we merken er niets van). Feit is in elk geval dat de Chinezen in Chinatown wonen, de Indiers in Little India en de rest elders, dat heet met een sociologisch begrip "residential segregation". Zie voor een interessant en realistisch model: Schelling (1977).
Ondertussen werd het de hoogste tijd dat wij naar de kapper gingen, en daarvoor hadden wij een Chineze kapper uitgekozen, wat resulteerde en een Chinees kapsel voor Laura en Jasper (zie photobucket: http://s750.photobucket.com/home/jasperenlaura/allalbums). Bij de knipbeurt hoorde een hoofdmassage van een halfuur, totale prijs: 7 euro pp. Best duur voor dit land! Want Maleisie is misschien iets rijker dan Thailand (veel aardolie, rubber en palmolie), het leven is hier ongeveer net zo goedkoop.
De mensen zijn trouwens ook super aardig, maar zo aardig als de Thaise mensen is niemand. In Nakhon Si Tammarat, de eerste stop van ons na de bounty-eilanden waarvandaan we de vorige keer verslag hebben gedaan, hebben we namelijk een nieuwe vriend gemaakt: Toon. We ontmoetten hem in een winkelcentrum, waar we op een spelcomputer gingen racen. Na een halfuurtje met ons te hebben gepraat, vroeg hij ons uit eten met zijn hele gezin! We werden bij ons hotel opgepikt met de auto, en hebben daarna de lekkerste wok gehad die wij ons kunnen herinneren. Toon benadrukte overigens dat het belangrijk is dat we niet zomaar bij vreemde mensen in de auto moesten stappen, want dat kan gevaarlijk zijn (Toon zelf was een christen, daarom zou hij nooit lelijke dingen doen).
Voor de komende hebben we ons schema overigens ook wat geconcretiseerd: we hebben een vliegticket geboekt van Singapore naar Noord-Thailand, van waaruit we naar Laos willen reizen.
Zoals beloofd in onze vorige post hebben we inderdaad de River Kwai bezocht. Zonder het verhaal erachter is het eigenlijk gewoon een brug waar af en toe een trein over rijdt, maar het was toch indrukwekkend. Leuk was ook dat er op een gegeven moment een trein aankwam en dat er nog allemaal toeristen op de rails liepen. Het leek even spannend te gaan worden, want een paar hardnekkige Amerikanen leken niet van plan het spoor te verlaten, maar gelukkig was de machnist wel wat gewend en liep alles goed af. Dit bezoek aan de River Kwai was trouwens onderdeel van een tweedaags toeristentripje dat we ons door een Thai genaamd Joe (spreek uit: Joey) hebben laten aansmeren. In het kader van dit tripje hebben we ook op een bamboevlot en een olifant gezeten. En we hebben met olifanten gezwommen! Dat was heel spannend, want het zijn echt gigantische beesten van zo dichtbij en je moest er bovenop gaan zitten zonder zadel of wat dan ook. Sommige olifanten konden allerlei trucjes, die van ons alleen ‘rodeo’, waardoor wij de helft van de tijd tussen de olifantendrollen aan het zwemmen waren.
Jasper heeft trouwens ook nog een hele goede vriend gemaakt: Mario uit Beverly Hills. Er was niet zoveel plek meer in het busje van het toeristentripje, waardoor deze twee knullen achterin naast elkaar kwamen te zitten. Mario was al een tijdje in Thailand en vermaakte Jasper met alle foto’s die hij had gemaakt. Jasper werd een beetje misselijk, maar –zoals de kenners vast weten- was hij te beleefd om Mario duidelijk te maken dat hij echt even naar buiten moest kijken. Subtiel probeerde hij dit door te vertellen dat hij een beetje misselijk was, waarop Mario enthousiast een verhaal afstak over dat hij op een boot was die heel veel bewoog waardoor iedereen onwel werd. Jasper vergat zijn beleefdheid even en smeekte Mario op te houden. Mario zei ‘Ok, I’ll just give you a summary: everybody ended up puking!!!’, waarop Jasper ook zijn maaginhoud verloor.
Na een verblijf van vijf dagen in soort een bikers resort op Koh Samui, zijn we nu op het paradijselijke Koh Phangan. De liefhebbers kennen dit eiland natuurlijk van de legendarische Full Moon Party en toen het afgelopen 1 maart volle maan was, hebben wij dit feest natuurlijk niet aan onze roodverbrande neusjes voorbij laten gaan. Uiteraard hebben we ons tegoed gedaan aan enkele met cocktail gevulde buckets en we hebben genoten van alle roekeloze capriolen die uitgevoerd werden door onze dronken mede-feestgangers, bijvoorbeeld touwtjespringen met een brandend touw of limbodansen onder een –jawel- brandend touw door.
Ondanks de zonnebrandcreme met factor 50 zijn we al een paar keer verbrand, maar verder gaat alles heel erg goed! Vandaag hebben we het lot getart door een brommer te huren en het eiland te verkennen (voor de ouders en Juul: grapje hoor, op Koh Phangan zijn de wegen nagenoeg leeg, op wat andere toeristen op brommertjes na). Wij waren met onze helmen de losers van het eiland, maar wel veilige losers (en ook best wel stoere, zie hiervoor de foto’s)!! Gisteren hebben we een prachtig strand bezocht dat alleen per boot bereikbaar was. Onze bungalow is ook aan het strand, maar helaas is het er niet diep genoeg om te zwemmen. Ondanks dit, en de gigantische kakkerlak die we vanavond aantroffen in onze badkamer, is het er erg paradijselijk. Foto’s hiervan en andere nieuwe foto’s zijn te zien op onze photobucket (http://s750.photobucket.com/albums/xx143/jasperenlaura/Koh%20Samui%20en%20Koh%20Phangan/)!
We blijven hier nog twee dagen en dan zullen we weer vasteland onder onze zeemansbenen krijgen, want we gaan naar Maleisie! Volgens de barkeeper van Phangan ‘Cosy’ Bungalows (waar wij verblijven) is het daar verschrikkelijk en hangt er in de lucht, naast een smeulend etnisch conflict, ook het sterke aroma van een open riool, maar wij -positivo’s die wij graag zijn- hebben er alle vertrouwen in. Mocht het toch niet leuk zijn, dan vluchten we snel door naar Singapore.
Bedankt voor alle reacties trouwens! Het was heel leuk om ook wat van jullie te horen!
Hier zijn de foto's te vinden:
Er zijn nog geen fotoseries.
Laat je e-mail achter en ik stuur je een mailtje als ik een nieuw verhaal of nieuwe foto's op de site heb gezet.